Preventie van Allergische aandoeningen
Voordat we over de preventie van allergie praten, moet hier eerst het
kader gegeven worden waar we over spreken. Preventie zoals op deze
pagina bedoeld wordt is het vóórkomen van het ontstaan van de allergie.
Een allergische aandoening is een chronische
immuunziekte en van een aantal is de oorzaak hiervan te "genezen".
De genezing bestaat uit de structurele, over lange tijd, blootstelling
aan de stof waarop iemand reageert. Dit wordt desensibilisatie of
immunotherapie genoemd. Deze genezing is niet een echte genezing in de
zin dat de allergie voor die stof voor 100% verdwijnt maar zorgt er wel
voor dat bij meer dan 95% van de personen een meer dan 95%-ige
tolerantie wordt ontwikkeld voor die stof. Dit betekent dus dat er bij
sommige personen niet een volledige tolerantie wordt ontwikkeld en dat
er bij anderen er een terugval kan optreden naar de allergie.
Voor een aantal inhalatieallergenen (zoals boompollen en grassen) en
voor insectengiffen (zoals wespen of bijengif) kunt u in aanmerking
komen voor een immunotherapie. Dit gebeurt altijd in overleg met de
behandelend specialist.
Voor de overige allergenen inclusief voedsel
is er op dit moment geen! genezing.
De huidige behandelopties zijn
allergeenvermijding, symptoombestrijding en allergeenspecifieke
immunotherapie.
In de afgelopen jaren is veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling en
de evaluatie van preventieve maatregelen. De resultaten zijn niet
eenduidig positief en er blijft nog ruimte voor overbodige
saneringsmaatregelen. Dit laatste kan op zichzelf bijdragen aan een
verzwaring van de ziektelast voor de patiënt.
De behandeling met
medicijnen heeft in wisselende mate succes bij het op
korte termijn verminderen van de klachten bij de patiënt, maar heeft
vanuit een breder perspectief nog onvoldoende effect op het afbuigen de toename van deze aandoeningen.
Met belangstelling worden de resultaten verwacht van nieuwe medicijnen
en farmacologische strategieën.
Immunotherapie
Allergeenspecifieke immunotherapie (of hyposensibilisatie) wordt al vele
jaren gebruikt als behandeling voor atopische luchtwegaandoeningen. Met
het ter beschikking stellen van goed gedocumenteerde en
gestandaardiseerde allergeenextracten en van nationale en internationale
consensusrichtlijnen voor de indicaties en de praktische uitvoering
ervan, kon de effectiviteit van deze behandeloptie in de afgelopen jaren
pas goed in kaart worden gebracht. Inmiddels heeft de hyposensibilisatie
volgens een voortdurend, subcutaan injectieschema een duidelijke plaats
herwonnen in de therapierichtlijnen. Deze methode heeft echter een, zij
het klein, risico op ernstige allergische bijwerkingen en een
behandeling per injectie is vooral bij kinderen ongemakkelijk. Er wordt
veel onderzoek verricht naar de werkzaamheid en de veiligheid van
alternatieve toepassingsvormen van hyposensibilisatie.
Voor diverse inhalatieallergenen is de zogenaamde SLIT toepassingvorm
ontwikkeld, dit is Sub Linguale ImmunoTherapie,
een toedieningvorm waarbij geen gebruik meer gemaakt wordt van een
injectie, maar een pilletje dat onder de tong gelegd zal smelten. Grazax®
is SLIT pilletje dat gebruikt kan worden wanneer je erge hooikoorts
klachten hebt. Ook voor deze therapie geldt dat u deze therapie pas in
overleg met de behandelend arts krijgt omdat ook bij SLIT er een zeer
kleine kans op ernstige allergische reactie bestaat.
Als u een ernstige insectengifallergie heeft zou in overleg met uw arts
bekeken kunnen worden of u in aanmerking komt voor een immunotherapie
voor dat specifieke insect zijn. Hiervoor kunt u het beste contact
opnemen met een specialist bij u in de buurt.
Wanneer u dit wilt dan kunt u de naam van de arts en het ziekenhuis
die Immunotherapie geeft opvragen bij het Nederlands Anafylaxis Netwerk.
Klik u hiervoor op de bijen!

Preventie voor
(voedsel)allergie
Het adviesbeleid voor preventie van allergische aandoeningen bestaat op
dit moment alleen uit:
Hoewel er relatief weinig gegevens beschikbaar zijn, laten meerdere
studies een preventief effect zien van het geven van borstvoeding
tijdens de lactatieperiode, gedurende minstens 3 - 6 maanden.
Onduidelijk is nog of het houden van een dieet door de zogende moeder
een aanvullende waarde heeft. Dit dieet dient vrij te zijn van noten,
pinda, koemelk, kippenei, vis en schaaldieren. Men adviseert zo'n dieet
in het geval van "high-risk baby's", dus zuigelingen met een sterk
verhoogd risico op het ontwikkelen van een allergie, bijvoorbeeld
doordat beide ouders atopisch zijn. Wanneer het geven van borstvoeding
niet mogelijk is, kan als alternatief een hypo-allergene melkvoeding
worden gegeven tot de leeftijd van een jaar. Dit wordt niet altijd door
de verzekering vergoed. Het starten van bijvoeding begint bij voorkeur
niet voor de leeftijd van 6 maanden.
Overigens lijken bovengenoemde preventieve maatregelen vooral een
gunstig effect te hebben op het voorkomen van een voedselallergie op de
zuigelingenleeftijd en vooralsnog niet op het ontwikkelen van
allergische symptomen op latere leeftijd.
(Passief) roken verhoogt de kans op ontwikkeling van een allergie en
dient te worden vermeden.

|