|
|
Medicijnallergie
- 1 |
|
|
|||||||||
|
Hier kan uw
advertentie staan! |
Hier kan uw
advertentie staan! |
||||||||||
|
|
|||||||||||
|
|
|
|
|
Typische reacties en symptomen (mild) |
huiduitslag
|
Misselijkheid,
overgeven, diaree |
|
Typische reacties en symptomen (matig tot ernstig) |
Zwellingen van
het gezicht; |
Abnormale
bloedingen
|
Elk medicijn kan bijwerkingen veroorzaken. Een medicijn dat je gebruikt om één klacht of symptoom te verlichten kan onopzettelijk nieuwe symptomen ergens anders in het lichaam veroorzaken. De tabel laat enige verschillen zien tussen medicijnallergie en andere onbedoelde reacties op een medicijn.
De meest voorkomende klachten bij een medicijnallergie zijn huidreacties, variërend van milde huiduitslag tot vlammend rode plekken met galbulten. De meer ernstige reacties veroorzaken gezichtszwellingen, ademnood of duizeligheid. En sporadisch kan er anafylaxis, waarbij de bloeddruk snel kan dalen en de keel snel kan zwellen zodat de luchtweg afgesloten wordt, optreden.
In tegenstelling tot een allergische reactie zijn bijwerkingen niet
gerelateerd aan het immuunsysteem – ze worden veroorzaakt door de
algemene werking op de verschillende lichaamsorganen. Bijvoorbeeld,
een neusspray tegen verstopping werkt omdat het de capillaire vaten
in de neus samentrekt; hierdoor wordt de zwelling minder en opent de
luchtweg. Maar een ongewenste bijwerking is dat het ook de
capillaire vaten in het hele lichaam samentrekt, hierdoor is het
mogelijk dat een versnelde hartslag, hoofdpijn en duizeligheid
optreden.
Een neusontstopper is dus niet specifiek genoeg voor één deel van
het lichaam of voor één enkele werking – dit betekent dat bijna
iedereen bijwerkingen kunnen krijgen. Dit heeft niets te maken met
dat het afweersysteem van die persoon gesensibiliseerd is voor dat
medicijn.
Bijwerkingen
of niet-allergische reacties op medicijnen en allergische reacties
op medicijnen zijn verschillend.
Weten wat het verschil hiertussen is kan je leven redden.
Allereerst wordt ingegaan op bijwerkingen, vervolgens op allergische
reacties!
In
de definitie van de WHO is een bijwerking “iedere schadelijke,
niet bedoelde werking van een geneesmiddel dat in de gebruikelijke
dosering is toegediend voor de preventie, diagnose of behandeling
van een ziekte of aandoening”.
Bij het optreden van een bijwerking speelt niet alleen de
farmacologische werking van het geneesmiddel een rol, maar ook de
zogenaamde patiëntgebonden factoren. Een bijwerking is pas een
bijwerking als het voor de patiënt een onbedoeld en ongunstig effect
is. Zo zijn bijwerkingen van sommige middelen na verloop van
tijd een nieuwe indicatie geworden, een voorbeeld hiervan is
stollingsremming door acetylsalicylzuur.
Om in grote lijnen een onderscheid te maken in de verschillende
typen bijwerkingen kan de A / B indeling worden gebruikt (zie
hierboven). Vaak blijkt echter dat de eigenschappen van het
geneesmiddel en de eigenschappen van de patiënt beide een grote rol
spelen.
Een voorbeeld van een farmacologisch verklaarbare bijwerking zijn
hartkloppingen
bij beta-sympaticomimetica.
Patiëntgebonden factoren zijn onder andere het (erfelijk bepaalde)
vermogen om een geneesmiddel goed of minder goed te kunnen
metaboliseren (zie kader), onderliggende infectieziekten en
de nierfunctie.
In het onderstaande overzicht staan de belangrijkste kenmerken van
de verschillende typen bijwerkingen:
Type-A-bijwerkingen,
ofwel geneesmiddel gerelateerd
Deze hebben de volgende
kenmerken:
Bijwerking is herleidbaar tot het farmacologische effect van het geneesmiddel
Bijwerking is dosisafhankelijk
Bijwerking is in experimenteel onderzoek reproduceerbaar
Incidentie is relatief hoog (>1%)
Bijwerking wordt meestal al gezien in preregistratie studies
Tijdsrelatie is suggestief
Een voorbeeld van een type-A-bijwerking is bloedingen bij acetylsalicylzuur.
Type-B-bijwerkingen, ofwel patiënt gebondenDeze hebben de volgende kenmerken:
Bijwerking is ernstig
Bijwerking is niet herleidbaar tot farmacologisch effect van het geneesmiddel
Bijwerking is daarom niet dosisafhankelijk
Bijwerking is meestal niet reproduceerbaar bij andere patiënten
Incidentie (en achtergrondfrequentie) is relatief laag
Bijwerking wordt meestal pas ontdekt in post marketing surveillance
Tijdsrelatie en mechanisme is onzeker
Een voorbeeld van een type-B-bijwerking is het Stevens Johnson Syndroom
Toezicht op
medicijnen.
Voordat geneesmiddelen
op de markt komen, worden de werkzaamheid en de schadelijkheid
uitgebreid onderzocht. Het aantal patiënten dat bij deze studies is
betrokken is, bedraagt meestal niet meer dan enkele duizenden. Daar
staat tegenover dat een geneesmiddel dat wereldwijd op de markt
wordt gebracht in de loop der jaren door tientallen miljoenen
patiënten zal worden gebruikt. Zeldzame, patiëntgerelateerde
bijwerkingen komen dus pas na het op de markt brengen aan het licht.
Het bewaken en analyseren van deze nog onbekende bijwerkingen wordt
internationaal farmacovigilantie genoemd. Hierbij wordt aan artsen
en apothekers de mogelijkheid geboden om hun vermoedens van een
bijwerking te melden op één centraal punt. In Nederland is dat Lareb.
Op deze manier is het mogelijk om in korte tijd nieuwe, potentieel
gevaarlijke bijwerkingen op te sporen en te bewaken. Vervolgens kan
gericht farmaco-epidemiologisch vervolgonderzoek plaatsvinden om
bijvoorbeeld incidentiecijfers vast te stellen.
Vaccins worden
algemeen gerekend tot de meest kosteneffectieve
gezondheidszorginterventies. Naast het belang van individuele
bescherming kan immuniteit door vaccinaties ook een meer algemeen of
zelfs nationaal volksgezondheidsbelang dienen.
Vaccins zijn geneesmiddelen met een bijzondere plaats binnen de
gezondheidszorg:
Omdat vaccins voornamelijk aan gezonde personen worden toegediend, merk je niet direct dat je er beter van wordt, zoals wel het geval is bij het verdwijnen van koorts na inname van een antibioticum of van een pijnstiller. In de “kosten - baten” afweging (van de ouders) van de gevaccineerde zijn de “baten” meestal niet of niet direct waarneembaar. Terwijl de “kosten” in de vorm van bijwerkingen vaak al binnen enige uren na toediening optreden.
Lareb heeft de kennis en ervaring in huis om bijwerkingen van deze bijzondere groep geneesmiddelen te beoordelen. Zo werd Lareb aangezocht om op projectbasis de vaccinbijwerkingen van de “Landelijke vaccinatiecampagne hepatitis B risicogroepen” te registreren. Daarnaast is er een wederzijdse uitwisseling van gegevens met het RIVM betreffende ernstige bijwerkingen van vaccins die aan kinderen werden toegediend in het Rijksvaccinatieprogramma.
Door een abonnement op Shock
wordt u
geïnformeerd over de ontwikkelingen op het allergie gebied en bent u
beter voorbereidt
Meld u hier aan!
U kunt de hier de onderwerpen van het laatste nummer lezen>>