ANAFYLAXIS.NL
DE INFORMATIEBRON VOOR DE OMGANG MET DE KANS OP
EEN ERNSTIGE ALLERGISCHE REACTIE

 
     

 

     

Pagina updated: 03-07-2015

 

 

INHOUD

 

 

 


 

Alternatieve therapieën bij allergie

 

Het NAN gaat uit van evidence based medicine. Voor voedselallergieën is (nog) geen gepubliceerde bewezen genezing. We komen telkens weer patiënten of ouders van patiëntjes tegen die dit niet willen accepteren en daarom naarstig op zoek gaan buiten de reguliere gezondheidszorg.

Deze mensen moeten zich realiseren dat er ook geen, volgens de huidige wetenschappelijke normen, publicaties zijn, van behandelaars in de alternatieve gezondheidszorg, waarin aangetoond wordt dat allergieën te genezen zijn. Dit ter overweging voordat u toch deze stap zet.

Hier vindt u informatie over het wettelijk kader reguliere en alternatieve behandelaars.
lees verder>>

Hier onder staat enige informatie voor u, opdat u weet wat de waarde van de therapie aangeboden door een alternatief behandelaar is.

Overzicht artikel door
B. Niggemann, C. Gr ber Department of Pediatric Pneumology and Immunology, University Children's Hospital Charité of Humboldt University, Berlin, Germany
Key words: alternative medicine; cytotoxic test, hair–analysis; iridology, kinesiology.
Bodo Niggemann, MD Department of Pediatric Pneumology and Immunology Children's Hospital Charité Humboldt University Augustenburger Platz 1, D - 13353 Berlin Germany
Accepted for publication 17 December 2003 Allergy 2004: 59: 806–808
Printed in UK. All rights reserved Copyright Blackwell Munksgaard 2004 ALLERGY 806

Onbewezen diagnostische procedures in IgE-gemedieerde allergische aandoeningen.

Hoewel een aanzienlijke hoeveelheid literatuur over de therapeutische aspecten van complementaire en alternatieve geneeskunde gepubliceerd is gedurende de laatste jaren, is er weinig bekend over de diagnostische procedures bij allergische aandoeningen (1, 2, 3).

Van verscheidene onconventionele methoden wordt gezegd dat ze zinvol zijn bij het disgnostische werk voor voedselallergie of zelfs dat ze superieur zijn aan de conventionele methoden. Dit korte overzicht heeft tot doel complementaire en alternatieve diagnostische procedures voor de diagnose van immunoglobuline (Ig)E-gemedieerde allergische aandoeningen (4) die op dit moment op beschikbaar zijn op te sommen en om een inschatting te maken van hun bruikbaarheid voor de dagelijkse praktijk.

Specifieke IgG-antilichamen

De bepaling van specifieke IgG-antilichamen in bloed correspondeert niet met orale voedselprovocaties (5). Bij koemelkintolerantie vastgesteld door orale provocatie, kon geen verhoogde hoeveelheid IgG antilichamen worden aangetoond (6). IgG melkspecifieke antilichamenniveaus zijn gelijk bij kinderen met vroeg- en laattypische klinische reacties (7). Verder is er geen bewijs dat IgG subklassen (8) of de IgE/IgG4 verhouding betrouwbare diagnostische werktuigen zijn.
In een onderzoek bij 27 kinderen met kippeneiallergie werd gevonden dat kinderen met een positieve provocatie uitslag neigden naar een hogere IgE / IgG4 ratio en een hogere IgG1/IgG4 ratio dan degenen met een negatieve provocatie uitslag, maar concludeerden dat orale provocaties nog steeds nodig zijn om de diagnose voedselallergie te bevestigen (10). Een groot onderzoek onder 601 nieuwgeborenen, peuters, kinderen en volwassenen liet zien dat de bepaling van IgA en IgM antilichamen niet bijdraagt aan de diagnose voedselallergie (11). Omdat IgG-antilichamen tegen gewone dieet antilichamen gedetecteerd kunnen worden in gezonden en zieke personen (12) is de vaststelling van voedselspecifieke IgG niet van klinische relevantie (13) en behoort geen deel uit te maken van het diagnostische werk voor voedselallergie.

Haaranalyse

Hoewel haaranalyse een belangrijke toepassing heeft bij het screenen naar metaal vergiftiging, zijn er geen ondersteunende gegevens voor toepassingen zoals voedingdeficiënties of chronische aandoeningen (14). In een Brits onderzoek zijn negen personen met een door middel van orale provocaties vastgestelde visallergie en negen gezonde controlepersonen onderzocht. Hetzelfde bloed werd onder verschillende namen naar verscheidene laboratoria gezonden die alternatieve onderzoeksmethoden deden, inclusief haaranalyse. Er werd aangetoond dat het merendeel van de laboratoria de visallergische patiënten niet herkenden; echter, verscheidene andere allergieën werden gediagnosticeerd waar geen klinische indicatie voor gevonden kon worden (15). In een ander onderzoek werd haarmonsters van twee gezonde teenagers onder gefingeerde namen gezonden aan 13 commerciële laboratoria die haaranalyse uitvoeren; de gerapporteerde niveaus van de meeste mineralen varieerden aanzienlijk tussen de identieke monsters, en zes laboratoria adviseerden voedingssupplementen, maar het type en hoeveelheid varieerden flink (16). Op individuele basis is het gebruik van haaranalyse beperkt, met beperkingen die speciaal gelden voor de evaluatie van minerale nutritionele status (17).

Cytotoxische Test

De (leukocyten) cytotoxische test voor voedselallergie is een bloedonderzoek waarin veranderingen in de morfologie van leukocyten worden onderzocht onder een microscoop na toediening van een antilichaam (tot wel 180 verschillende voedselallergenen per test) (18, 19). Het onderzoek is tijdrovend en afhankelijk van subjectieve interpretatie (20). negen atopische en vijf niet-atopische patiënten met en zonder voedselallergie werden onderzocht op een dubbel blinde wijze met zes vastgestelde bepalingen voor 10 voedsel antilichamen: reproduceerbaarheid was onvoldoende (21). Dezelfde negatieve bevindingen werden gevonden in andere grootschalige onderzoeken; de resultaten fluctueerden aanzienlijk van dag tot dag en zonder relatie tot het gegeten voedsel (20, 22, 23). De cytotoxische test heeft geen rationele wetenschappelijke basis (24), biedt geen betrouwbare hulp bij de diagnose voor het vaststellen van voedselallergie (25), speciaal bij patiënten met meervoudige voedselallergieën (26).

Kinesiologie

Bij dit onderzoek, worden de aangeduide allergenen voorbereidt in neutrale glazen stopflesjes en de patiënt houd de fles in één hand; een positieve test wordt aangewezen door verhoogde spierspanning in de contralaterale arm (27). Terwijl een niet gecontroleerde testonderzoek enige waarde claimt voor de diagnose van voedselallergie (28), laat een geblindeerd onderzoek (uitgevoerd in duplo) bij 20 patiënten zien dat het aantal overeenstemmende resultaten in de duplogroepen gelijk was als dat verwacht zou worden bij toeval (27). Eenzelfde resultaat was gerapporteerd voor patiënten met wespengifallergie: kinesiologie als diagnostisch gereedschap is niet bruikbaarder dan steekproefsgewijs raden (29). Toegepaste kinesiologie kan ook niet worden geadviseerd voor de diagnose nutritionele intolerantie (30).

Iridiologie

Een onderzoek met iridiologie laat zien dat de diagnose van bronchiale astma niet ondersteund kan worden door een iridiologische analyse (31). Een systematische review over iridiologie ontsloot dat de validiteit van iridiologie als diagnostisch gereedschap niet ondersteund wordt door wetenschappelijke evaluaties (32). De mogelijkheid van vals-positief en vals-negatief kan resulteren in potentieel schadelijke therapieën of verlies van kostbare tijd voor vroegtijdige behandeling, welke beide zeer serieuze problemen zijn (33). Een Nederlands onderzoek laat zien dat de geplaatste geloofwaardigheid door artsen in iridiologie afnam na het lezen van een empirisch onderzoek dat bewijs presenteerde tegen de waarde van iridiologie als diagnostisch gereedschap bij de diagnose (34).

Electrodermaal onderzoek

Hoewel gepromoot in enkele onderzoeken (35), kan  electrodermaal onderzoek (VEGA test), een techniek gelijk aan electro acupunctuur volgens Dr. Voll (36), kan niet aanbevolen worden voor de diagnose van voedselallergie, omdat het zonder vastgestelde wetenschappelijke basis is en kan daardoor leiden tot onjuiste behandeling (37, 38, 39). In een dubbel blinde steekproefsgewijs onderzoek werden 15 vrijwilligers met een positief resultaat en 15 vrijwilligers met een negatief resultaat op een eerdere huidpriktest voor huisstofmijt of katschilfers onderworpen aan electrodermalele testen; electrodermale testen konden geen onderscheid maken tussen atopische en niet-atopische deelnemers (40). Een ander dubbel blind, placebo gecontroleerd onderzoek voor de diagnostische juistheid met 72 allergische patiënten  en 28 gezonde vrijwilligers bevestigden het gebrek aan correlatie voor respiratoire allergie (41)

Diversen

De sublinguale provocatie voedseltesten waren niet in staat te differentiëren tussen placebo en voedseldruppel (42, 43, 44) en kan zelfs potentieel fataal zijn bij patiënten met systemische mastocytose (45)
 

Conclusie

Een aanzienlijke hoeveelheid literatuur over de therapeutische aspecten van complementaire en alternatieve geneeswijzen is in de afgelopen jaren gepubliceerd, maar er is weinig bekend over de diagnostische procedures. Nazien van de literatuur liet zien dat noch de vaststelling van specifieke immunoglobuline G-antilichamen in bloed, de haaranalyse, de cytotoxische test, kinesiologie, iridiology noch de electrodermale test bruikbare onderzoeken zijn voor de dagelijkse praktijk. Tot op heden kan geen enkele complementaire of alternatieve diagnostische procedure worden aanbevolen als een betekenisvol element bij het diagnostische werk van allergische aandoeningen. Dit is zeker waar voor voedselallergie: juist uitgevoerd orale voedselprovocaties is nog steeds de gouden standaard voor het instellen van specifieke diëten bij voedselallergische personen. Niet effectieve diagnostische benaderingen kunnen kostbaar zijn voor de consument en vertraagd de juiste therapie.  


Referenties

1. Reisman RE. American Academy of Allergy: position statements – controversial
techniques. J Allergy Clin Immunol 1981;67:333–338.
2. Golbert TM. A review of controversial diagnostic and therapeutic techniques
employed in allergy. J Allergy Clin Immunol 1981;56:170–190.
3. Teuber SS, Porch-Curren C. Unproved diagnostic and therapeutic approaches to food allergy and intolerance. Curr Opin Allergy Clin Immunol 2003;3:217–221.
4. Johansson SGO, O’B Hourihane J, Bousquet J, Bruijnzeel-Koomen C, Dreborg S, Haathela T, Kowalski ML, Mygind N, Ring J, van Cauwenberge P, van Hage-Hamsten M, Wu¨ thrich B. A revised nomenclature for allergy. An EAACI position paper from the EAACI nomenclature task force. Allergy 2001;56:813–824. Unproven diagnostic procedures 807
5. Stiening H, Szczepanski R, Mu¨hlendahl v KE, Kalveram C. Neurodermitis und Nahrungsmittelallergie. Klinische Relevanz von Testverfahren. Monatsschr Kinderheilkd 1990;138:803–807.
6. Burks AW, Williams LW, Casteel HB, Fiedorek SC, Connaughton CA. Antibody response to milk proteins in patients with milk-protein intolerance documented by challenge. J Allergy Clin Immunol 1990;85:921–927.
7. Firer MA, Hoskings CS, Hill DJ. Humoral immune response to cow’s milk in children with cow’s milk allergy. Int Arch Allergy Appl Immunol 1987;84:173–177.
8. Kemeny DM, Urbanek R, Amlot PL, Ciclitira PJ, Richards D, Lessof MH. Sub-class of IgG in allergic disease I. IgG sub-class antibodies in immediate and non-immediate food allergy. Clin Allergy 1986;16:571–581.
9. Jenkins M, Vickers A. Unreliability of IgE/IgG4 antibody testing as a diagnostic tool in food intolerance. Clin Exp Allergy 1998;28:1526–1529.
10. Lau S, Thiemeier M, Urbanek R, Kemeny M, Wahn U. Immediate hypersensitivity to ovalbumin in children with hen’s egg white allergy. Eur J Pediatr 1988;147:606–608.
11. Bu¨rgin-Wolff A, Signer E, Friess HM, Berger R, Birbaumer A, Just M. The diagnostic significance of antibodies to various cow’s milk proteins (fluorescent immunosorbent test). Eur J Pediatr 1980;133:17–24.
12. Barnes RMR. IgG and IgA antibodies to dietary antigens in food allergy and intolerance. Clin Exp Allergy 1995;25(Suppl. 1):7–9.
13. Johansson SGO, Dannaeus A, Lilja G. The relevance of anti-food antibodies for
the diagnosis of food allergy. Ann Allergy 1984;53:665–672.
14. Fletcher DJ. Hair analysis. Proven and problematic applications. Postgrad Med
1982;72:79–88.
15. Sethi TJ, Lessof MH, Kemeny DM, Lambourn E, Tobin S, Bradley A. How reliable are commercial allergy tests? Lancet 1987;i:92–94.
16. Barrett S. Commercial hair analysis – science or scam? J Amer Med Assoc 1985;254:1041–1045.
17. Hambidge KM. Hair analysis: worthless for vitamins, limited for minerals. Am J Clin Nutr 1982;36:943–949.
18. Black AP. A new diagnostic method in allergic disease. Pediatrics 1956;17: 716–724.
19. Bryan WTK, Bryan MP. The application of in vitro cytotoxic reactions to clinical diagnosis of food allergy. Laryngoscope 1960;70:810–824.
20. Lieberman P, Crawford L, Bjelland J, Connell B, Rice M. Controlled study of the cytotoxic food test. J Am Med Assoc 1975;231:728–730.
21. Benson TE, Arkins JA. Cytotoxic testing for food allergy: evaluation of reproducibility and correlation. J Allergy Clin Immunol 1976;58:471–476.
22. Chambers VV, Hudson BH, Glaser J. A study of the reactions of human polymorphonuclear leukocytes to various allergens. J Allergy 1958;29:93–102.
23. Lehman CW. The leukocytic food allergy test: a study of its reliability and reproducibility. Effect of diet and sublingual food drops on this test. Ann Allergy 1980;45:150–158.
24. Van Arsdel PP Jr, Larson EB. Diagnostic tests for patients with suspected allergic disease. Utility and limitations. Ann Int Med 1989;110:304–312.
25. Ruokonen J, Holopainen E, Palva T, Backman A. Secretory otitis media and allergy. With special reference to the cytotoxic leucocyte test. Allergy 1981;36:59–68.
26. King WP. Testing for food allergy: a statistical comparison of cytotoxic and intracutaneous tests. Laryngoscope 1978;88:1649–1659.
27. Garron JS. Kinesiology and food allergy. BMJ 1988;296:1573–1574.
28. Schmitt WH, Leisman G. Correlation of applied kinesiology muscle testing findings with serum immunoglobulin levels for food allergies. Int J Neurosci 1998;96:237–244.
29. Lu¨dtke R, Kunz B, Seeber N, Ring J. Test-Retest-Reliability and validity of the kinesiology muscle test. Complement Ther 2001;9:141–145.
30. Pothmann R, von Frankenberg S, Hoicke C, Weingarten H, Lu¨dtke R. Evaluation der klinisch angewandten Kinesiologie bei Nahrungsmittel-Unvertraglichkeiten im Kindesalter. Forsch Komplementa¨rmed Klass Naturheilkd 2001;8:336–344.
31. Buchanan TJ, Sutherland CJ, Strettle RJ, Terrell TJ, Pewsey A. An investigation of the relationship between anatomical features in the iris and systemic disease, with reference to iridology. Compl Ther Med 1996;4:98–102.
32. Ernst E. Iridology: a systematic review. Forsch Komplementa¨rmed 1999;6:7–9.
33. Ernst E. Iridology. Not useful and potentially harmful. Arch Ophthalmol 2000;118:120–121.
34. Knipschild P. Changing belief in iridology after an empirical study.  BMJ 1989;299:491–492.
35. Krop J, Lewith GT, Gziut W, Radulescu C. A double blind, randomized, controlled investigation of electrodermal testing in the diagnosis of allergies. J Altern Complement Med 1997;3: 241–248.
36. Voll R. Twenty years of electroacupuncture diagnosis in Germany. A progress report. Am J Acupunct 1975;3:7–17.
37. Bresser H. Allergietestung mit der Elektroakupunktur nach Dr. Voll . Hautarzt 1993;44:408–409.
38. Katelaris CH, Weiner JM, Heddle RJ, Stuckey MS, Yan KW. Vega testing in the diagnosis of allergic conditions. Med J Aust 1991;155:113–114.
39. McEvoy RJ. Vega testing in the diagnosis of allergic conditions. Med J Aust 1991;155:350.
40. Lewith GT, Kenyon JN, Broomfield J, Prescott P, Goddard J, Holgate ST. Is electrodermal testing as effective as skin prick tests for diagnosing allergies? A double blind, randomised block design study. BMJ 2001;322:131–134.
41. Semizzi M, Senna G, Crivellaro M, Rapacioli G, Passalaqua G, Canonica WG, Bellavite P. A double-blind, placebo-controlled study on the diagnostic accuracy of an electrodermal test in allergic subjects. Clin Exp Allergy 2002;32:928–932.
42. Brenemann JC, Hurst A, Heiner D, Leney FL, Moris D, Josephson BM. Final report of the food allergy committee of the American College of Allergists on the clinical evaluation of
sublingual provocative testing method for diagnosis of food allergy. Ann Allergy 1974;33:164–166.
43. Grieco MH. Controversial practices in allergy. JAMA 1982;247:3106–3111.
44. Lehman CW. A double-blind study of sublingual provocative food testing: a study of its efficacy. Ann Allergy 1980;45:144–149.
45. Teuber SS, Vogt PJ. An unproven technique with potentially fatal outcome: provocation/neutralization in a patient with systemic mastocytosis. Ann Allergy Asthma Immunol 1999;82:62–65. Niggemann and Gru¨ ber 808

 
     



ALLERGIE:

Voedselallergie
Insectenallergie
Medicijnenallergie
Inhalatieallergie
Contactallergie
Latexallergie

Adressen
Allergie-specialisten


HULPMIDDELEN
Aktieplan
Allergiepas/kaartjes

LEER MEER OVER:

ANAFYLAXIE:

Oorzaken anafylaxie
Omgang & Beheersing
Medische Noodsituatie
Adrenaline en Auto-injectoren

DIAGNOSE
Anamnese

Huid priktest
Bloedonderzoek
Provocatie

BEHANDELING
Immunotherapie
Alternatieve geneeswijzen



ALLERGISCHE AANDOENINGEN


Allergische Rhinitis (Hooikoorts)
Astma
Atopisch Dermatitis

DOWNLOAD
Folder Anafylaxie
Folder School en allergie
Het Anafylaxie Actieplan
De offerte voor de training
Het protocol

ARCHIEF



Het NAN wordt ondersteund door:
ALK
MEDA
Phadia

© NAN 2015

CONNECT

VOLG ONS

      

Neem een abonnement
op het Tijdschrift

en ontvang E-Nieuws
gratis in uw inbox


Sitemap
Cookies beleid
Disclaimer

HOME


Wat is het NAN

Wat doet het NAN

REGISTREER VOOR :

VOEDSEL WAARSCHUWING


ABONNEMENT E-SHOCK





Contact:

078 639 0356

E-mail:
  steun@ernstigeallergie.nl

  

NAN is Co-Chair of the
 


NAN is Chair of the
Patient Organisations Committee