|
|
|
U bent nu in het
Home
|
INFO PROFESSIONALS Menu:
|
Meer Informatie...Voor U gelezen! INHOUD van de pagina:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Deze informatie is beschikbaar gesteld door het Universitair Medisch Centrum
Utrecht. Met dank aan |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De diagnostiek UP wordt gesuggereerd door de aanwezigheid van langer bestaande roodbruine maculae met name voorkomend op de romp die soms jeuken en zwellen bij krabben. Wanneer er bij het lichamelijk onderzoek een positief teken van Darier wordt gevonden is de diagnose UP zeer waarschijnlijk. Verdere bevestiging kan worden verkregen door bepaling van metabolieten van vrijgekomen histamine (MH, MIAA) in de urine. Tevens kan er tryptase (normaalwaarde <13.5 ug/l) worden bepaald in het serum. Al deze waarden zijn meestal verhoogd bij UP en kunnen worden gebruikt in de follow-up.
Diagnostisch is het histo-pathologisch
onderzoek. Hierbij wordt een huidbiopt in formaline van een UP-macula onderzocht
op de vergrote aanwezigheid van mestcellen. Mestcellen kunnen worden gezien met
Giemsa/ toluidine blauwkleuring. Deze kleuringen worden niet standaard verricht
en de verdenking op mastocytose is dus noodzakelijk voor het stellen van de
diagnose door de patholoog-anatoom.
Diagnostiek naar systemische mastocytose wordt gedaan door een hematoloog die
naast het beoordelen van het bloedbeeld, eventueel een echo abdomen (splenomegalie,
lymfadenopathie) en een X-Thorax (lymfadenopathie) en zo nodig een beenmergbiopt
en punctaat afneemt.
|
(Zie
ook tabel 2)
Er bestaat op dit moment nog geen middel tegen mastocytose of enig bewijs dat er
een therapie het beloop van de ziekte kan beïnvloeden. Het beleid voor therapie
is symptomatisch. Er wordt onderzoek gedaan naar nieuwe middelen bij
mastocytose.
Algemeen is het advies aan patiënten om bovengenoemde triggers van mestcellen te vermijden. Hierbij komt het grote belang dat er zoveel mogelijk aan wordt gedaan om te voorkomen door wespen en bijen gestoken te worden.
Patiënten moeten een noodset meekrijgen, bestaande uit antihistaminica en 2 EpiPennen, aangezien de kans op anafylactische shock verhoogd is gebleken na een steek door een wesp of bij.
Het is aan te bevelen het eerder genoemde geneesmiddelen paspoort mee te geven met hierin de medicijnen waarbij een verhoogde kans is op een overgevoeligheidsreactie.
Wanneer de patiënt klachten heeft in relatie tot voedsel kan door middel na een proefdieet (6 weken) vrij van biogene aminen de klachten verlichten. Na 6 weken kan aan de herintroductie worden begonnen om zodoende de voedingsmiddelen die echt klachten geven te selecteren.
Voor de chronische klachten van jeuk, urticaria en flushing kunnen H1-receptor antagonisten worden gegeven (loratadine, hydroxyzine). Voor klachten van het tractus digestives kunnen H2-receptor antagonisten worden voorgeschreven (cimetidine, ranitidine). 8)
Lichttherapie kan effectief zijn voor met name de cutane afwijkingen. Echter dit effect is altijd kortdurend en therapie zal herhaaldelijk gegeven moeten worden. Dit moet afgewogen worden tegen de nadelige effecten van lichttherapie op de lange termijn. 8)
Bij zeer ernstige klachten, niet reagerend op H1 en/of H2 antihistaminica met een verhoogd tryptase of bij afwijkingen in het bloedbeeld kan overleg worden gepleegd met het Universitair Medisch Centrum Utrecht (R. Fijnheer, hematoloog of S. Pasmans, dermatoloog) of
met
Academisch Ziekenhuis Groningen,
Allergology:
Jaap van Doormaal, M.D.
Department of Allergology,
University Hospital Groningen
NL-9700 RB Groningen
The Netherlands
Hematology:
Hanneke Kluin-Nelemans, M.D.
Department of Hematology,
University Hospital Groningen
Pathology:
Phillip Kluin, M.D.
Department of Pathology &
Laboratory Medicine,
University Hospital Groningen
Dermatology:
Pieter van Voorst Vader, M.D.
Department of Dermatology,
University Hospital Groningen
Allergology Group:
Jan de Monchy, M.D., Anthony Dubois, M.D., Jaap van Doormaal, M.D. & Hanneke
Oude Elberink, M.D.
Department of Allergology
University Hospital Groningen
Clinical Chemistry - Molecular Biology - determination of histamine
metabolites:
Ido Kema, Ph.D.
Department of Pathology and Laboratory Medicine University Hospital Groningen
Clinical Chemistry - Bone Metabolism:
Eveline van der Veer,
Ph.D.
Department of Pathology and Laboratory Medicine
University Hospital Groningen
Geadviseerd wordt om de patiënt in principe jaarlijks ter controle te zien. Hierbij is het van belang om te bepalen of er sprake is van verandering ten opzichte van het jaar daarvoor met betrekking tot de symptomen en bloedbeeld.
| tabel 2: Behandeling van Mastocytose | |
|
Alle patiënten:
Ernstige klachten bij systematisatie |
Noodset i.v.m.
verhoogde kans op ernstige reactie op wesp/bij/geneesmiddelen/ voedsel: - H1 antihistaminica - noradrenaline (EpiPen) H1-antihistaminica
|
De prognose van UP is over het algemeen goed. De ziekte is bij volwassenen chronisch van aard, maar spontane remissie is in zeldzame gevallen mogelijk. 5) Een onbekend percentage patiënten ervaart verergering van de UP en ontwikkelt systemische mastocytose in de loop van de jaren. In de meeste gevallen betekent dit uitbreiding van de benigne aandoening met uitbreiding van symptomen. Desondanks kan de ziekte door de symptomen invaliderend werken waardoor agressieve therapie soms nodig is. Dit is in een klein percentage het geval. Hiernaast presenteert een kleine hoeveelheid patiënten zich met een geassocieerde hematologische maligniteit. Mestcelleukemie als oorzaak van UP bijeerste presentatie is beschreven maar komt zeldzaam voor en zal zich ook veel agressiever presenteren met snelle progressie van klachten.15)
| 1 | Metcalfe DD. Classification and diagnosis of mastocytosis: current status. J Invest Dermatol. 1991; 96:2-4S |
| 2 | Valent P, Horny HP, Escribano L, et al. Diagnostic criteria and classification of mastocytosis: a consensus proposal. Leukemia Research. 2001; 25:603-625 |
| 3 | Nettleship E, Tay W. Rare forms of urticaria. BMJ. 1869;2:323-324. |
| 4 | Soter NA. The skin in Mastocytosis. J Invest Dermatol. 1991; 96:32S-39S |
| 5 | Azana JM, Torrelo A, Mediero IG, et al. Urticaria Pigmentosa: a review of 67 pediatri cases. Pediatr Dermatol. 1994; 11:102-106 |
| 6 | Kors JW, van Doormaal JJ, Breukelman H, et al. Long-term follow-up of indolent mastocytosis in adults. J Int Med 1996; 239:157-164 |
| 7 | Topar G, Staudacher C, Geisen F, et al. Urticaria Pigmentosa. A clinical, hematologic, and serologic study of 30 adults. Am J Clin Pathol. 1998; 109:279-285 |
| 8 | Greaves MW. Mastocytosis. In: Rook: Textbook of Dermatology, Volume 3: 6th edition. 1998 Chapter 54 |
| 9 | Hartmann K, Henz BM. Mastocytosis: recent advances in defining the disease. Br J Dermatol.2001; 144:682-693 |
| 10 | Furitsu T, Tsujimura T, Tono T, et al. Identification of mutations in the coding sequence of the proto-oncogene c-kit in a human mast cell leukaemia cell line causing ligand-independent activition of c-kit product. J Clin Investigations. 1993; 92:1736-1744 |
| 11 | Sato-Matsumura KC, Matsumura T, Koizumi H et al. Analysis of c-kit exon 11 and exon 17 of urticaria pigmentosa that occured in monozygotic twin sisters. Br J Dermatol. 1999; 140:1130-1132 |
| 12 | Metcalfe DD. Mastocytosis syndromes. In: Middleton E, editor. Allergy. Principals and Practice. Volume II. 4th edition. 1993:1537-1551 |
| 13 | Meyler L, Dukes MNG, Aronson JK, Chalker J. Meylers side effect of drugs: an encyclopia of adverse reactions and interactions. 14th edition. 2000. Edited by Elsevier, Amsterdam |
| 14 | Golkar L, Bernhard JD. Mastocytosis. Lancet. 1997; 349:1397-85 |
| 15 | Tebbe B, Stavropoulos PG, Krasagakis K, Orfanos CE. Cutaneous Mastocytosis in adults. Dermatology. 1998; 197:101-108. |
MELD U AAN!
Indien u de folders van het Nederlands Anafylaxis Netwerk
wilt ontvangen of meer wilt weten over Anafylaxie en het Nederlands Anafylaxis
Netwerk dan kunt ondervermelding van uw titel, naam, beroep (specialiteit), en
E-mailadres een mailtje sturen aan
info@anafylaxis.nl.
Daarnaast kunt u zich opgeven om Shock! het Tijdschrift voor de ernstige
allergische reactie te ontvangen, dit verschijnt minimaal drie keer per jaar met
informatie over de ontwikkelingen en onderzoeken op het gebied van allergie,
maar ook de pragmatische aanpak van de omgang na de diagnose.
Het Nederlands Anafylaxis Netwerk heeft een wereldwijd netwerk van experts op
verschillende gebieden die van betekenis zijn voor patiënten met het risico op
Anafylaxie. U kunt hiervan gebruik en deel van uitmaken!!